Waar tegen kan beroep worden ingesteld

Beroep kan worden ingesteld tegen uitspraken van de Tuchtcommissie “dat het ten laste gelegde geheel of gedeeltelijk is aangetoond” (artikel 32-1a TR).

Beroep is niet mogelijk:

  • na vrijspraak;
  • tegen een geregistreerde boeking (gele kaart);
  • tegen een naar aanleiding van een boeking (gele kaart) opgelegde straf;
  • tegen de uitspraak van de algemeen voorzitter van de Tuchtcommissie waarbij een voorlopige straf wordt opgelegd (artikel 24-5a TR);
  • tegen de uitspraak van de algemeen voorzitter van de Tuchtcommissie op een bezwaarschrift inzake het door de scheidsrechter tonen van een gele kaart (artikel 21-1b TR);
  • tegen de uitspraak van de algemeen voorzitter van de Commissie van Beroep op een verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van een door de Tuchtcommissie opgelegde straf (artikel 32-5 TR);
  • tegen de gevolgen van een straf: bijvoorbeeld het betalen van een aan een tuchtzaak verbonden onkostenvergoeding of, (bij wedstrijdzaken), het overspelen van een wedstrijd. Dat zijn geen straffen, maar bestuurlijke maatregelen, gebaseerd op een reglementsbepaling;
  • door iemand anders dan “betrokkene” (zie punt 1); een “slachtoffer” , het bestuur van de andere vereniging, of een teleurgestelde scheidsrechter kunnen dus niet in beroep; dat geldt ook voor de bestuursorganen van het KNKV, ook als zij aangifte hebben gedaan.

NB: het komt voor dat de scheidsrechter een overtreding in de wedstrijd bestraft met een vrije worp of een strafworp, bijvoorbeeld: een verdediger duwt een doorgebroken speler die schiet en niet scoort. De scheidsrechter kent een strafworp toe; hij vindt de duw van dien aard dat hij geen aanleiding ziet de duw ook nog met een gele of rode kaart te bestraffen. Omdat de scheidsrechter de overtreding heeft gezien en een beslissing daarover heeft genomen is de Tuchtcommissie niet bevoegd te oordelen als aangifte hiertegen wordt gedaan.